- tellen
- {{tellen}}{{/term}}I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 [getallen in een volgorde opnoemen] count2 [laten gelden; meetellen] count3 [rekenen vanaf een tijdstip] count ⇒ take effect4 [van belang zijn] count ⇒ matter♦voorbeelden:1 even tellen … • let me see …opnieuw tellen • re-count; 〈bij verkiezingen〉 have a re-countniet tot tien kunnen tellen • not be very brighttot tien tellen • count (up) to ten2 die punten/jaren tellen dubbel • those points/years count double〈sport〉 heer en vrouw tellen voor twintig (punten) • the king and queen count for twenty (points)3 we beginnen te tellen vanaf 1 mei • starting from 1 May4 mensenlevens tellen daar niet • there's no regard for human life there, human life is cheap therezwaar tellen bij iemand • carry great weight with someonehet enige dat telt bij hem • the only thing that matters to him¶ op zijn tellen passen • watch one's step, mind one's p's and q'sII 〈overgankelijk werkwoord〉1 [het aantal bepalen] count2 [aantreffen] find3 [hebben] number ⇒ have, 〈bestaan uit〉 consist of, 〈bestaan uit〉 comprise4 [geven om] attach (great) importance to♦voorbeelden:1 wel/goed geteld zijn er dertig • there are thirty all toldbij iets tellen • add to somethingniet te tellen! • hundreds/thousands (of them)!3 het huis telde 20 kamers • the house had 20 roomshet bestuur telt drie leden • the board consists of three members4 iets (te) licht/(te) zwaar tellen • take something (too) lightly/(too) seriouslyIII 〈onovergankelijk, overgankelijk werkwoord〉1 [rekenen tot] count ⇒ number
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.